DIOloog

De DIOloog is het kwartaalblad van Stichting DIO. Op het moment wordt er hard gewerkt aan de edities voor alweer de 23e jaargang. De publicatie wordt verspreid onder de (student-)donateurs en anderen die geïnteresseerd zijn in het werk van de stichting.

De redactie van de DIOloog bestaat uit: Marieke Beijaard, Iris Maliepaard, Sylvia Strik en Sylvia Luxemburg. Samen zorgen ze ervoor dat de DIOloog elke keer bomvol nieuwe informatie staat over de activiteiten, projecten en andere bezigheden van stichting DIO.

Wilt u ook ieder seizoen een nieuwe DIOloog op de deurmat ontvangen? Meldt u dan nu aan als donateur!

Jaargang 23

Maart 2017

Jaargang 22

Maart 2016

Juni 2016

September 2016

December 2016

Jaargang 21
Maart 2015

Jaargang 20
Juli 2014 

Oktober 2014

Januari 2015

Interview met wildlife-dierenarts Henk Luten
Lees hier het gehele interview (reeds deels gepubliceerd in het kwartaalblad der Stichting DIO, de DIOloog, uitgave juli 2014).

Je hoopt een verschil te kunnen maken
Een interview met wild-life-dierenarts Henk LutenHenklutenVoor studenten die geïnteresseerd zijn in ontwikkelingssamenwerking lijkt de stap naar de wildlife-diergeneeskunde logisch. Maar gaat dit wel zo gemakkelijk? En hoe pas je het in ontwikkelingssamenwerking? We vroegen dierenarts Henk Luten naar het leven als wildlife dierenarts – het begin, het dagelijks werk en de rol in de maatschappij. In Nederland of in het kader van ontwikkelingssamenwerking.Hoe bent u wildlife-dierenarts geworden?
Vanaf mijn 7e levensjaar wist ik dat ik dierenarts wilde worden. Een liefde die groeide door mee te lopen met een dierenarts die ook werkzaam was in Burgers’ Zoo. In Utrecht ben ik 7 keer uitgeloot voor de studie diergeneeskunde. Na een omweg via farmacie ben ik uiteindelijk diergeneeskunde gaan studeren in Antwerpen en Gent, waar ik in 1985 ben afgestudeerd. Eind goed al goed, zal ik maar zeggen. De specialisatie naar wildlife was deels toeval! De breed georiënteerde Gentse diergeneeskunde studie gaf mij een goede basis. Na mijn studie werkte ik samen met Piet de Jong, die toentertijd een kleine huisdieren- en paardenpraktijk had. Ook was Burgers’ Zoo een grote klant. Na het overlijden van mijn associé vroeg de toenmalige directeur van Burgers’ Zoo Antoon van Hooff of ik het een jaar wilde proberen als dierentuin-dierenarts. We zouden na dat jaar een gesprek hebben om te kijken of er voortgang in zat. Welnu, dat gesprek is er nooit geweest en sindsdien werk ik als ZZP’er, niet alleen voor Burgers’ Zoo, maar ook voor Natuurmonumenten en SBB.
Hoe word je Wildlife dierenarts?
Bij mijn weten zijn er geen specifieke opleidingen. Door veel vakliteratuur te lezen, te e-mailen met collega’s in het buitenland en veel praktijkervaring verkrijg je de kennis over wildlife-diergeneeskunde. Een grote mate van zelfstudie dus. Daarbij moet je wel handig zijn en vooral logisch kunnen denken. Daarbuiten zijn er 2 x per jaar congressen. 1 in Europa (EAZWV) en 1 in Amerika (AAZWV). Illustratief is de operatie van een murene met een gezwel die we operatief wilden verwijderen. Na wat rond mailen, in de boeken duiken en bellen was het hartverwarmend hoe snel we reacties kregen vanuit Amerika tot Singapore en alles ertussenin. Iedereen wenste ons erg veel succes maar niemand had totdat moment ooit een murene geopereerd. In het land der blinden is éénoog koning geldt zeer zeker voor de visdiergeneeskunde. We hebben rustig en logisch nagedacht met de kennis die we hadden en voorzichtig geopereerd. Uiteindelijk is de operatie zeer succesvol verlopen en is dit verhaal ook in National Geographic gepubliceerd.Over het algemeen (ook voor het krijgen van een baan) geldt dat je een dosis geluk moet hebben om binnen de wild-life scene te geraken, je goed in de stof moet verdiepen en je netwerk moet onderhouden. Er zijn helaas weinig vacatures – ik heb voor de AOW al uitgerekend dat ik tot mijn 67e door moet/mag, maar ik hoop ook daarna nog door te kunnen gaan! Het vak is wel minder romantisch en spectaculair als menigeen denkt. Sommigen denken dat ik elke dag olifanten sta te opereren (dat heb ik in de afgelopen 28 jaar slechts 1 keer gedaan). De moeilijkheid is dat je veel kostbare, onvervangbare dieren behandelt en dat geeft veel psychologische druk.Hoe ziet uw (dagelijkse) werk eruit?
Elke ochtend ben ik in de dierentuin. Daar doe ik van alles: faeces onderzoek, een zieke chimpansee behandelen, behandelplannen bespreken of echo’s/rx maken. Mijn focus is vooral gericht op preventieve diergeneeskunde. Voorkomen is tenslotte beter dan genezen. Veel van mijn tijd gaat op aan de behandeling van vogels. Problematisch is daarbij dat deze dieren relatief laat in het ziekteproces opgemerkt worden en daardoor vaak niet meer te genezen zijn. Als het dier eventueel dood gaat, wordt het dier altijd naar de afdeling Pathologie van Utrecht gestuurd voor sectie zodat we een goed beeld hebben van wat er speelt in het dierenpark.In de middag werk ik bijvoorbeeld voor Natuurmonumenten. Ik begeleid niet alleen de Schotse Hooglanders in Nationaal Park Veluwezoom, maar heb ook onlangs 15 edelherten verdoofd om ze te voorzien van een GPS-zender om de hals. Daarmee worden hun migratieroutes onderzocht en uitgebreid in kaart gebracht. Enorm interessante informatie. Ik moest ze op 30-50 meter afstand verdoven met een verdovingspijltje zittend op een hoogzit. In de winter is dat bar koud werk maar ook erg spannend. Het zijn namelijk erg schuwe dieren.Ook ben ik werkzaam in de Oostvaarderplassen (SBB), niet omdat ik er zo veel behandel maar omdat ik een goede perceptie en know-how heb van hoe wilde en verwilderde dieren functioneren. Het is voor de meeste mensen onduidelijk wat er daadwerkelijk met die dieren gebeurt: vanuit de media lijkt het in de Oostervaarderplassen kommer en kwel. Als je er wekelijks komt, zie je dat het een heel mooie wereld is. Vanuit mijn vakgebied probeer ik het systeem dan ook te onderbouwen en verdedigen. Wij, als burgers, zijn van natuurlijk gedrag afgedwaald, we willen alles aaien, voeren en behandelen. Dat baart mij wel veel zorgen. Er is een grote discrepantie tussen de perceptie over de dieren in de Oostvaarderplassen en bijvoorbeeld de intensieve melk en vlees-veehouderij. Als je vlees wilt eten is dat prima, dat doe ik zelf ook, maar je moet weten dat er een dier aan dood is gegaan. De perceptie van vlees-eten is zo ver af gehouden van het levende wezen dat niemand dat meer ervaart, terwijl een musje dat tegen de ruit vliegt met gierende ambulance wordt opgehaald. Dus communicatie hoort ook bij mijn werk.Wat zijn de leuke en minder leuke kanten van uw werk?
Mijn favoriete dieren zijn mensapen. Chimpansee Roos van Burgers’ Zoo was eens heel ziek en graatmager. We hadden haar nagekeken maar kwamen er in eerste instantie niet goed uit. De leverwaarden waren afwijkend en op de echo was te zien dat ze leverabcessen had. Daarna kreeg ze een lange kuur antibioticum. Ze leek ten dode opgeschreven. Het is zo’n geweldige kick als je het dier redt. Een paar maand geleden was er ook een gorilla met een rectumprolaps van 20 cm. Samen met mijn zwager, die chirurg is in het Academisch Ziekenhuis Antwerpen, hebben we de aap geopereerd – een familieproject dus. We hebben een matje in de buik gelegd, tegen het sacrum aan. De endeldarm hebben we middels laparotomie naar binnen opgetrokken en daaraan vastgezet. Gorilla’s hebben als herbivoren een enorm colon met een diameter van 20 centimeter wat het een lastige klus maakte, maar het is wel gelukt.
Ik vind het wel eens jammer dat de dieren zo negatief tegenover mij als dierenarts staan. Dieren smijten met stokken, gooien poep naar me, of bespugen me. Ze hebben totaal geen positieve binding met me terwijl dat andersom wel zo is. Het is wel logisch, want ik fixeer en/of injecteer de dieren al dan niet met een pijl door middel van een verdovingsgeweer of -pistool. Een andere minder leuke kant van wildlife-diergeneeskunde is dat je altijd wilt genezen of helpen, terwijl het dier daar helemaal niet op zit te wachten. Zo heb ik een keer een schuwe chimpansee gehad die geen pillen innam. Ze moest echter behandeld worden en moest daarvoor 3 maal daags een pil gedurende 2 weken nemen. Om dat voor elkaar te krijgen moest ze 3 x daags een pijl met medicijnen geïnjecteerd krijgen. Dat hebben we twee keer gedaan, maar dat gaf zoveel stress dat we er mee gestopt zijn. Uiteindelijk heeft moeder natuur het zelf opgelost. Het had echter ook fout kunnen aflopen. Zo zie je de beperktheid van het vak en dat frustreert, zo ook wanneer een dier dood is voordat je überhaupt wist dat het ziek was.Wat zijn uw ervaringen in het buitenland?
In Mongolië heb ik mogen participeren in een project om het Przewalskipaard te herintroduceren in het wild. Het dier was totaal uitgestorven door de Russische en daarna Chinese overheersing. De stichting had Przewalskipaarden gekocht of verkregen vanuit dierentuinen en hebben een stamboek opgezet door nauwgezet met de verworven dieren te fokken. Het doel was om een genetisch sterke en duurzame populatie op te bouwen in een tijdsspanne van 30 jaar. Daarna zijn 10 luchttransporten vanuit Nederland naar Mongolië geweest van iedere keer 10-12 paarden. Inmiddels is er een sterke stabiele populatie Przewalskipaarden ontstaan, bestaande uit meerdere harems die weer terug zijn in hun geboorteland. Daar heb ik mee mogen doen om het verschil te maken.Wat zijn uw doelen in uw werk? Wat is uw “drive”?
Ik wil het verschil kunnen maken. Daarmee bedoel ik dat door mijn toedoen dieren genezen of lekkerder in hun vel komen te zitten. De laatste jaren bestaat dat steeds meer uit mensen informeren hoe beesten in elkaar zitten: het publiek staat namelijk steeds verder van het dier. De uitingen daarvan variëren van dekkleedjes voor chihuahua’s tot een kippenei dat nog even duur is als toen ik 8 jaar was. Om duurzaam te kunnen produceren mag alles best duurder worden maar vooral verantwoorder. Mensen nemen dingen aan die voor hen vanzelfsprekend zijn maar die het eigenlijk niet zijn, er is voor een stuk vlees altijd een beest dood gegaan. Er is een enorme discrepantie tussen wat het beest ervaart en wat wij ervaren voor het beest – daar zit een wereld van verschil in. Allemaal dingen waar nog een hele slag te maken is.Wat vindt u de rol van de dierenarts op het gebied van ontwikkelingssamenwerking?
Qua veterinaire volksgezondheid, en dan voornamelijk voor wat betreft zoönosen, speelt de dierenarts een grote rol. Soms zijn de mensen er niet van te overtuigen dat melk gekookt of gepasteuriseerd dient te worden. Er zijn veel ziektes die hier uitgestorven zijn maar in ontwikkelingsgebieden endemisch zijn: tuberculose, runderpest en MKZ zijn daar voorbeelden van. Mensen informeren, dieren behandelen en eventueel ruimen is een hele uitdaging. Die mensen denken namelijk “Dat is wel een koe die nog leeft en nog melk of vlees geeft!” Als mensen uiteindelijk het verschil zien bij een andere boer die met die methodiek een gezonde kudde krijgt, gaan ze een keer om.
Uiteindelijk hoop je dat je het verschil kunt maken. Dat geldt niet alleen voor het vak, maar ook voor jezelf.

 

Jaargang 19
Maart 2013

Juni 2013

September 2013

Jaargang 18
Februari 2012

Mei 2012

Juni 2012 – Lustrum editie

Oktober 2012